Reactie op het krantenartikel van 6 mei 2014
Mijn moeder is Trees Feykes. Zij heeft op de van Bleiswijkstraat 54 tijdens de oorlog gediend in de huishouding. Zij vertelde mij dat zij daar heel vaak ernstige tijden heeft doorgemaakt. Ze wilde er eigenlijk nooit over praten. Vooral toen de Duitsers kabels over het dak aanbrachten voor een rechtstreekse telefoonverbinding tussen hun verblijfplaatsen. (Herfstzon en de Drommedaris). Mijn moeder was als de dood dat de onderduikers werden ontdekt en dat zij dan ook de kogel zou krijgen.
Ook moest zij aan een koord trekken als er gevaar dreigde. Niemand mocht het weten, laat staan vertellen, dat daar Joden zaten. Zelfs niet aan de broer van mevrouw Zwaan, de oom van Rita, die waarschijnlijk niet helemaal goed bij zijn hoofd was en altijd als hij kwam aan het koord trok, zodat de Salomons als een speer naar hun schuilplaats moesten gaan.
Het jammere van het onderduikverhaal vind ik dat mijn moeder nooit meer iets van de Salomons heeft vernomen. Na de oorlog heeft mijn moeder, samen met mijn vader, hen nog wel een keer opgezocht in Amsterdam, omdat de Salomons mijn moeder beloofd had het goed te maken met haar toen zij in 1944 haar dienst opzegde. Maar ze kon na een kopje thee weer snel vertrekken, wat ze heel erg vond.
Pieter de Wit, zoon van Trees Feykes